Nieuwsbrief Zwolse Adviesgroep no 2018-06

Nieuwsbrief Zwolse Adviesgroep no 2018-06
16 oktober 2018 Marleen Haring

Koop nog dit jaar een nieuwe Tesla

De bijtelling voor het privégebruik van een elektrische auto van de zaak is 4% van de cataloguswaarde. Die bijtelling gaat per 1 januari 2019 omhoog, naar de standaardbijtelling van 22% voor zover de cataloguswaarde meer dan € 50.000 is. Per 2021 wordt – naar verwachting – de lage bijtelling voor elektrische auto’s afgeschaft.
Als u nog dit jaar een elektrische auto koopt met een cataloguswaarde van meer dan € 50.000 – stel met 15 november als datum afgifte kentekenbewijs – dan kunt u de 4% bijtelling nog jarenlang benutten. Tot 1 december 2023. Het percentage van de bijtelling dat geldt bij aankoop van de auto – de datum van eerste toelating – staat voor vijf jaar vast.

DGA: opnamen in rekening-courant belast als loon

Als een DGA vanuit zijn holding-BV een of meer werk-BV’s aanstuurt moet de holding daarvoor een managementfee in rekening brengen bij die werk-BV. De Belastingdienst vindt die fee een geode maatstaf om het gebruikelijk loon van de DGA vast te stellen. De vergoeding geeft aan welke waarde de werk-BV toekent aan de door de DGA verrichte werkzaamheden, en die waardering moet terugkomen in de hoogte van zijn salaris bij de holding. Als de DGA zijn salaris veel lager vaststelt dan de managementvergoeding volgt al snel een correctie tot het gebruikelijk loon. De inspecteur kan dan zelfs opnamen in rekening-courant als loon belasten, zo blijkt uit een recente uitspraak van Hof Den Haag.
Pier Rewiet was directeur-enigaandeelhouder van BV X. Die BV bezat alle aandelen in BV Y; deze BV verleende diensten op het gebied van ontwikkeling, beheer en exploitatie van informatietechnologie. Pier werkte vanuit zijn holding als algemeen directeur van BV Y. BV X bracht daar jaarlijks een managementfee van € 180.000 (excl. BTW) voor in rekening bij BV Y. Pier’s salaris bij BV X was een stuk lager: dat was € 54.142 in 2010, € 54.388 in 2011, € 105.003 in 2012 en € 100.800 in 2013. Bij een boekenonderzoek door de Belastingdienst bleek dat Pier’s saldo in rekeningcourant bij BV X jaarlijks opliep met opnamen, aangeduid als ‘voorschot salaris’. Het ging om € 32.112 in 2010, € 39.991 in 2011 en € 10.676 in 2013. Die bedragen waren niet in de loonadministratie opgenomen. De inspecteur rekende die bedragen – gebruteerd – alsnog tot Pier’s salaris. Ook nam hij jaarlijks € 8.000 aan salaris in aanmerking voor Pier’s werkzaamheden in BV X. Pier verzette zich tegen deze correctie op zijn salaris. Zonder succes: Rechtbank én Hof Den Haag stelden de inspecteur in het gelijk. De inspecteur was voor de berekening van het gebruikelijk loon terecht uitgegaan van de managementfee van € 180.000 per jaar. Die fee had volledig betrekking op de door de DGA verrichte werkzaamheden, én die vergoeding was bepaald als tussen onafhankelijke derden. De inspecteur had van die vergoeding 70% in aanmerking genomen, zodat het DGA-salaris niet meer in belangrijke mate afweek van het gebruikelijke loon. BV X had niet aannemelijk gemaakt dat in de managementvergoeding ook een beloning was begrepen voor het deelnemen in een risicovolle werk-BV. Het Hof vond het niet van belang dat de DGA zijn schuld in rekening-courant – inclusief de ‘voorschotten salaris’ –tijdens de procedure volledig had afgelost. Het Hof handhaafde de naheffingsaanslag.

Commentaar
Deze DGA had zijn zaken niet goed op orde. Hij nam jarenlang bedragen in rekening-courant op als ‘voorschot salaris’ en rekende die niet tot het te verlonen salaris. Dat is vragen om problemen. In deze procedure stond vast dat de managementvergoeding volledig kon worden toegerekend aan de door de DGA verrichte werkzaamheden. Daardoor kon de inspecteur die vergoeding als uitgangspunt aanhouden voor de vaststelling van het gebruikelijk loon. Dat kan worden voorkomen door in de managementovereenkomst tussen de holding-BV en werk-BV vast te leggen dat de managementfee ook – en tot welke bedragen – een vergoeding is voor andere zaken dan de DGA-werkzaamheden.

Carpoolen: regel het optimaal

Heeft u werknemers die carpoolen, of die van plan zijn om dat te gaan doen? Regel hun woon-werkverkeer optimaal. Als de werknemer zijn privé auto gebruikt voor het woon-werkverkeer, kunt u als werkgever hem een belastingvrije vergoeding betalen van € 0,19 per kilometer. Als die werknemer amen rijdt met drie collega’s en u als werkgever hebt dat geregeld, dan kunt u hem voor de omrijkilometers – om zijn maten op te halen – ook € 0,19 belastingvrij vergoeden. De meerijders kunt u géén belastingvrije kilometervergoeding geven: omdat u als werkgever het carpoolen organiseert, is sprake van vervoer vanwege de werkgever. Als de werknemers zelf het carpoolen regelen kunt u als werkgever de meerijders wél een belastingvrije vergoeding geven voor hun woon-werkverkeer. Voor de omrijkilometers kunt u de chauffeur dan geen vrije vergoeding betalen. Bij vier carpoolende collega’s kan de vergoeding oplopen tot € 0,76 per kilometer. De werknemers kunnen zelf afspraken maken over de verdeling van die vergoeding.
Let op: u kunt de carpoolregeling niet alleen op het woon-werkverkeer toepassen, maar ook op andere zakelijke ritten. Bijvoorbeeld als vier werknemers samen naar een studiebijeenkomst een training, of een congres rijden.

Let op uw afstandsverkopen

Verkoopt u als ondernemer via uw webshop regelmatig goederen aan particulieren in het buitenland? Let dan op de BTW-regeling voor afstandsverkopen. U moet de particulier in het buitenland gewoon de Nederlandse BTW in rekening brengen, 6% of 21%, en die belasting afdragen aan de Nederlandse Belastingdienst. Overschrijdt de verkoop een bepaald drempelbedrag, dan moet u voor de volgende leveringen de buitenlandse BTW in rekening brengen, naar het tarief van het land waar de afnemer woont. Die BTW moet u aan de Belastingdienst van dat land afdragen. Dat betekent dat u zich daar moet registeren als BTW-ondernemer. Let op: u moet die regeling voor afstandsverkopen per land bijhouden! Voor een overzicht van de drempelbedragen binnen de Europese Unie zie ook VAT THRESHOLDS (APRIL 2018) (PDF).
U kunt er ook voor kiezen om de regeling met drempelbedragen niet toe te passen en vanaf de eerste de beste levering de regeling voor afstandsverkopen toe te passen. U moet dat verzoeken bij de Nederlandse Belastingdienst.

DGA: check uw managementovereenkomst

Werkt u, DGA, vanuit uw holding-BV voor een of meer werk-BV’s op basis van een managementovereenkomst? Check dan hoe uw managementvergoeding in die overeenkomst is geregeld. Als de managementvergoeding volledig kan worden toegerekend aan de door u verrichte werkzaamheden kan de Belastingdienst die vergoeding aanhouden als vertrekpunt voor de vaststelling van het gebruikelijk loon. Dat betekent dat uw gebruikelijk loon al snel op zo’n 75% van de managementfee zal worden vastgesteld. U kunt dat voorkomen door in de overeenkomst vast te leggen dat de managementfee ook een vergoeding omvat voor andere zaken. Denk aan een vergoeding voor het gebruik van uw auto, uw telefoon, laptop en andere benodigdheden, een vergoeding voor een pensioenpremie, een werkruimte thuis etc. U staat sterker als u voor die aparte vergoedingen ook bedragen vastlegt in de overeenkomst.

Een legaat voor uw kleinkinderen

Bent u opa of oma? En geniet u van uw kleinkind(eren)? Vergeet hen dan niet bij uw estateplanning! Bij uw overlijden geldt voor uw kinderen een vrijstelling voor de erfbelasting van € 20.371, maar – en veel grootouders weten dat niet – diezelfde vrijstelling geldt ook voor de kleinkinderen. En als opa én oma in hun testament een legaat voor hun kleinkind opnemen, kan die vrijstelling twee keer worden benut! Zo’n legaat is extra voordelig omdat daarmee de erfbelasting een keer wordt overgeslagen: het vermogen vererft niet naar de kinderen, en bij hun overlijden naar hun kinderen, maar rechtstreeks van opa en oma naar de kleinkinderen. Hebben uw kinderen niet allemaal evenveel (klein-)kinderen, en wilt u uw kinderen sowieso gelijk behandelen? Dat kan. U kunt dan in uw testament bepalen dat de legaten voor de kleinkinderen in mindering komen op het erfdeel per kind. De verkrijging wordt dan per zoon of dochter gelijkgetrokken.

Lijfrente: morgen brengen

Komt uw lijfrentepolis binnenkort tot uitkering? Wat gaat u doen met het vrijkomende kapitaal: een periodieke uitkering aankopen, of dat nog een paar jaar uitstellen? Dat uitstel is mogelijk tot eind december van het jaar waarin u de AOW-leeftijd bereikt plus vijf jaar. Als uitstel nog kan, is dat veelal aantrekkelijk. De rente is momenteel historisch laag, en dat levert een lage lijfrente-uitkering op. Als de rente wat aantrekt, gaan de uitkeringen omhoog. En als u de uitkeringen kunt doorschuiven tot ná uw AOW-leeftijd, betaalt u daarover – in de eerste twee belastingschijven – minder inkomstenbelasting. U behaalt een tariefvoordeel. Het kapitaal dat vastzit in een lijfrente is niet belast in box 3, dus dat scheelt u ook nog wat vermogensrendementsheffing. Let op: als u de ingangsdatum van de lijfrente-uitkeringen maximaal uitstelt, neemt de kans toe dat u niet alle uitkeringen meer zelf gaat ontvangen vanwege uw overlijden. Om te voorkomen dat die ‘winst’ aan de verzekeraar toevalt, kunt u de uitkeringen bij een bank aankopen. Bij uw overlijden gaat de uitkering dan vrij van erfbelasting over op de – bij wet of testament – benoemde erfgenamen.

Droogte: uitstel van betaling voor boeren en tuinders

Boeren en tuinders die door de extreme droogte van de afgelopen tijd in liquiditeitsproblemen zijn gekomen, kunnen bij de Belastingdienst uitstel van betaling krijgen voor de betaling van de verschuldigde belastingen. Financiën heeft de extreme droogte aangemerkt als ‘bijzondere omstandigheid’ en dat biedt perspectief op bijzonder uitstel van betaling.
Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO) heeft bekend gemaakt dat de Belastingdienst de extreme droogte van de afgelopen tijd heeft erkend als ‘bijzondere omstandigheid’. Boeren en tuinders met liquiditeitsproblemen kunnen daardoor een beroep doen op het bijzonder uitstel van betaling voor de verschuldigde inkomsten-, omzet-, loon- en/of vennootschapsbelasting. Bij bijzonder uitstel kan de ondernemer uitstel van betaling krijgen voor langer dan een jaar én de Belastingdienst kan afzien van het bedingen van zekerheid voor het totale nog te betalen belastingbedrag. Regulier uitstel biedt uitstel van betaling voor ten hoogste één jaar en de ondernemer moet altijd zekerheid verstrekken voor de nog te betalen belasting. Bij bijzonder uitstel van betaling geldt als extra voorwaarde dat de ondernemer een derde-deskundige moet inschakelen. Die deskundige moet verklaren dat:
– er sprake is van reële betalingsproblemen;
– de betalingsproblemen van tijdelijke aard zijn;
– de betalingsproblemen vóór een bepaald tijdstip zullen zijn opgelost.

Uit de verklaring moet de aard van de betalingsproblemen blijken en de haalbaarheid van inlopen van de betalingsachterstand. Aangetoond moet worden dat de betalingsproblemen zijn ontstaan door bijzondere omstandigheden die niet behoren tot het normale bedrijfsrisico. De ontvanger moet ervan overtuigd zijn dat de onderneming levensvatbaar is en dat de ondernemer in de nabije toekomst weer aan zijn fiscale verplichtingen kan voldoen.De Belastingdienst stelt geen formele eisen aan deze derde deskundige. Het kan een externe consultant of financier zijn, de (huis)accountant of een brancheorganisatie. De ontvanger kan nadere voorwaarden stellen bij het verlenen van het bijzondere uitstel van betaling, om de verliezen voor de schatkist te beperken bij onvoorziene tegenslagen.

Commentaar

Financiën is niet gul met het verlenen van bijzonder uitstel van betaling. De betalingsproblemen van de ondernemer moeten veroorzaakt zijn door een bijzondere omstandigheid, niet behorend tot de normale bedrijfsrisico’s, en die doen zich maar zelden voor. De extreme droogte van de afgelopen tijd is een duidelijk voorbeeld, en de agrarische sector kreeg deze uitstelregeling eerder bij de Russische boycot van landbouwproducten in 2014. Ondernemers die bijzonder uitstel van betaling willen krijgen, moeten het eenvoudig te verkrijgen kortlopend uitstel van betaling – voor vier maanden, voor een belastingschuld tot € 20.000 – laten lopen. Dat kortlopend uitstel wordt zonder problemen toegekend, maar hét nadeel van die regeling is dat de ondernemer niet meer in aanmerking komt voor bijzonder uitstel van betaling.

BSN in BTW-identificatienummer: in strijd met AVG

De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heeft de Belastingdienst gemaand om zo snel mogelijk te stoppen met het verwerken van burgerservicenummers in de BTW-identificatienummers van zelfstandigen met een eenmanszaak. De wettelijke grondslag ontbreekt daarvoor. De Belastingdienst heeft ruim een jaar geleden al beloofd om met een plan van aanpak te komen om dit probleem op te lossen, maar dat is er nog niet van gekomen. Als dat niet snel alsnog gebeurt, kan de AP handhavende maatregelen treffen.
Het burgerservicenummer (BSN) is een persoonsgebonden nummer waarmee burgers zich bij de overhead kunnen identificeren. Het BSN is fraudegevoelig: als de gegevens in verkeerde handen vallen kunnen die gebruikt worden voor identiteitsfraude. De Belastingdienst heeft de burgerservicenummers verwerkt in de BTW-identificatienummers van zelfstandigen met een eenmanszaak. Die ondernemers – het gaat vooral om zzp’ers – hebben dat BTW-nummer nodig om te kunnen voldoen aan de factuur- en andere vereisten in de wet omzetbelasting. Deze ondernemers klagen al langer over deze werkwijze van de Belastingdienst. De AP heeft een onderzoek ingesteld en daar is uitgekomen dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor het gebruik van het BSN in het BTW-nummer. De Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG) schrijft voor dat in een wet expliciet moet zijn vermeld dat persoonsgegevens voor een bepaald doel verwerkt en gebruikt mogen worden. En dat is volgens de AP hier niet het geval: de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer (Wabb), die gaat over het gebruik van het BSN, zegt niets over gebruik van het verwerken van het BSN in het BTW-nummer. De AP vindt de werkwijze van de Belastingdienst ‘niet rechtmatig en behoorlijk’. De Belastingdienst moet de gehekelde werkwijze zo snel mogelijk stoppen. Als dit niet gebeurt kan de AP handhavende maatregelen treffen.

Commentaar

Staatssecretaris Snel van Financiën heeft onlangs op Kamervragen geantwoord dat de Belastingdienst zich niet principieel verzet tegen een andere manier van het toekennen van BTW-nummers, maar een omschakeling naar een andere nummersystematiek gaat zowel de Belastingdienst als de betreffende ondernemers veel tijd en geld kosten. Snel heeft toegezegd de Tweede Kamer binnenkort te informeren over de mogelijkheid van een BTW-identificatienummer zonder BSN. De vraag is of de AP zo lang wil wachten met het treffen van handhavende maatregelen. De AVG kent afschrikwekkend hoge boetes: voor overtredingen die zien op fundamentele verplichtingen is dat maximaal € 20.000.000,- of 4% van de wereldwijde omzet. De ‘omzet’ van de Belastingdienst over 2018 – de geraamde belastingopbrengst – is volgens de Miljoenennota 2018 in totaal € 284,5 miljard. Rekent u maar uit welke boete dat wordt.

Waardering eigen woning bij overgang naar privé

Als een ondernemer zijn tot het ondernemingsvermogen behorende eigen woning overbrengt naar het privévermogen, moet hij met de fiscus afrekenen over de meerwaarde van die woning: het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer en de fiscale boekwaarde. Als de ondernemer duurzaam in de woning blijft wonen, ook na de overbrenging naar privé, is die zelfbewoning een waardedrukkende factor. Het vaststellen van die waardedruk is arbitrair. De Belastingdienst heeft die problematiek bij besluit geregeld, uit doelmatigheidsoverwegingen, en regels gegeven voor de waardering van de woning bij een overgang van ondernemings- naar privévermogen. Dat besluit is onlangs geactualiseerd en daarbij zijn de waarderingsregels ingrijpend gewijzigd.
De staatssecretaris van Financiën heeft het besluit over de waardering van de eigen woning bij een overgang naar het privévermogen geactualiseerd. De waarde in bewoonde staat wordt voortaan gesteld op één vast percentage van de waarde in het economische verkeer. De tot op heden gehanteerde verschillende percentages, gebaseerd op de leeftijd van de belastingplichtige en zijn partner, bleken veelal te laag te zijn. De waarde van de eigen woning bij overgang naar privé kan voortaan worden gesteld op 85% van de waarde in het economische verkeer in vrije staat. Voor het toepassen van deze waarderingsregel gelden vier voorwaarden, te weten:
– de woning is bestemd voor duurzame zelfbewoning;
– de woning moet verplicht naar het privévermogen worden overgebracht, bijvoorbeeld bij staking van de onderneming. De overgang van de woning naar privé bij inbreng van de onderneming in een BV of bij verkoop aan een BV waarvan de ondernemer (on)middellijk aandeelhouder is, wordt niet als een verplichte overgang aangemerkt. Dat geldt ook voor de overgang bij het ontbinden van een samenwerkingsverband, zoals een firma of maatschap.
– de overgang naar het privévermogen vindt plaats ten minste drie jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de woning tot het ondernemingsvermogen is gaan behoren, of waarin de woning is gebouwd of verbouwd. Van een verbouwing is sprake als de kosten meer bedragen dan 20% van de WOZ-waarde van de woning.
– als de woning eerder vanuit privé is ingebracht in het ondernemingsvermogen kan het percentage voor de bepaling van de waarde in bewoonde staat bij de latere overgang naar het privévermogen niet lager zijn dan het percentage dat aangehouden is bij de eerdere inbreng in het ondernemings-vermogen. De 85%-waardering geldt ook voor bijgebouwen bij de woning als die onroerende zaken min of meer duurzaam voor woondoeleinden worden gebruikt. De ondernemer kan kiezen voor de waardering op 85% bij de aangifte van het desbetreffende jaar, dan wel uiterlijk in de bezwaarfase. Die keuze leidt tot compromis. Als partijen zich daar niet aan – willen – conformeren kan de inspecteur de woning waarderen op basis van de feiten en omstandigheden in de concrete situatie.

Commentaar

Een duidelijk besluit. De voorwaarde van een verplichte overgang naar privé is loos: Financiën keurt goed dat de waarde bij een vrijwillige overgang naar privé ook op 85% van de waarde in vrije staat kan worden gesteld.

ZZP-er: BTW-aftrek op werkkamer in eigen woning

Een ondernemer die uitsluitend BTW-belaste prestaties verricht, heeft recht op aftrek van BTW op alle uitgaven die verband houden met die BTW-belaste prestaties. Dat geldt ook voor investeringsuitgaven voor een werkkamer in een nieuwe eigen woning. Als u, ZZP-er, een nieuwe woning koopt of laat bouwen en direct in die woning een werkkamer laat inrichten, kunt u een evenredig gedeelte van de BTW op de bouw van die woning in aftrek brengen als voorbelasting. Denk aan de omzetbelasting op de aankoop van de grond, de aanneemsom en de exploitatiekosten.
Let op: bij verkoop van de woning binnen 10 jaar na de eerste ingebruikneming is de herzieningsregeling van toepassing en moet u een tijdsevenredig gedeelte van de als voorbelasting afgetrokken BTW weer afdragen aan de Belastingdienst.

Noteer grensoverschrijdende fiscale structuren

Financiële tussenpersonen, zoals belastingadviseurs, advocaten en notarissen, moeten fiscaal potentieel agressieve grensoverschrijdende belastingstructuren gaan melden bij de Belastingdienst. Deze nieuwe meldplicht is opgelegd door Europa, in een richtlijn voor mandatory disclosure. De meldplicht is een reactive vanuit Brussel op de Panamapapers. De richtlijn moet uiterlijk 31 december 2019 ingevoerd zijn in onze nationale wetgeving, maar financiële adviseurs moeten al vanaf 25 juni 2018 bijhouden welke fiscal structuren onder de meldplicht vallen. De nieuwe meldplicht heeft zo materieel terugwerkende kracht. Probleem is dat nog niet duidelijk is welke grensoverschrijdende fiscale structuren als potentieel agressief kunnen worden aangemerkt. Het ministerie van Financiën is bezig de richtlijn uit te werken in wet- en regelgeving. In bepaalde situaties moet de ondernemer zelf de belastingstructuren melden. Dat is het geval als zijn adviseur niet binnen de Europese Unie is gevestigd, of als die adviseur een geheim-houdingsplicht heeft. Vergeet niet om uw grensoverschrijdende fiscale structuren te noteren. Dan kunt u later, aan de hand van de door Financiën nog op te stellen spelregels alsnog beoordelen of die wel of niet gemeld moeten worden.

Installeer de app BTW-alert op uw smartphone

Hebt u de app BTW-alert al op uw smartphone of tablet? Het is een handig hulpmiddel om te voorkomen dat u te laat BTW-aangifte doet. U plant de BTW-aangifte op een tijdstip dat u goed uitkomt, en de app stuurt een herinnering als het zover is. U kunt met de app ook de betalingskenmerken opzoeken en alle aangiftedatums van dit jaar op een rij zetten. U kunt de app gebruiken voor meerdere ondernemingen tegelijk, ook als die verschillende aangiftetijdvakken hebben. Voor meer informatie zie: App Btw-Alert.

Sociaal plan: Hoge Raad verduidelijkt RVU-heffing

De ondernemer die een ontslag- of uittredingsregeling treft voor zijn oudere werknemers, moet voorkomen dat die regeling als een RVU, een regeling voor vervroegde uittreding kan worden aangemerkt. Een RVU kost de ondernemer/werkgever een eindheffing van 52%, bovenop de loonheffing die de werknemer over de uitkeringen uit zo’n regeling moet betalen. De wetgever heeft die eindheffing ingevoerd om werkgevers er van te weerhouden om oudere werknemers vervroegd met pensioen te sturen. De Hoge Raad heeft de RVU-heffing recent verduidelijkt – én beperkt – door te beslissen dat uitsluitend de objectieve kenmerken en voorwaarden van de regeling, het sociaal plan, beslissend zijn bij de beoordeling of er sprake is van een RVU. Waarom de werkgever de regeling aanbiedt en waarom werknemers van die regeling gebruik maken is niet van belang.
BV X was begin 2013 door alsmaar verslechterende marktomstandigheden gedwongen om haar bedrijf te reorganiseren. In april 2013 kondigde zij een reorganisatie aan waarbij 230 arbeidsplaatsen kwamen te vervallen. In goed overleg met de vakbonden werd in mei 2013 een sociaal plan opgesteld, waarbij een aantal boventallige werknemers was aangewezen, volgens het afspiegelingsbeginsel. Ook andere werknemers konden gebruik maken van de uittredingsregeling, mits de BV daar toestemming voor gaf. De beëindigingsvergoeding werd berekend op basis van de (toen nog geldende) kantonrechtersformule, met een maximum van de te verwachten inkomensderving tot het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Daarbij werd rekening gehouden met de rechten van werknemers op een sociale uitkering. De BV vroeg de inspecteur om de regeling bij beschikking niet aan te merken als een RVU, maar de inspecteur wees dat verzoek af. BV X ging tegen die afwijzing in beroep. Rechtbank Zeeland – West-Brabant en in beroep Hof Den Bosch beslisten dat de inspecteur het verzoek ten onrechte had afgewezen. De regeling was géén RVU in de zin van de wet, omdat die niet leeftijdsafhankelijk was én de beëindigingsvergoeding bij ontslag berekend werd op basis van (toen geldende) arbeidsrechtelijk algemeen aanvaarde beginselen. De Hoge Raad heeft die uitspraak bevestigd. Ons hoogste rechtscollege besliste dat voor een kwalificatie als RVU beslissend is of de uitkeringen of verstrekkingen uit de uittredingsregeling bedoeld zijn om te dienen ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de (gewezen),werknemer tot diens pensioendatum. De Hoge Raad voegde daar ter verduidelijking aan toe dat bij die beoordeling niet van belang is met welk motief de werkgever zo’n uittredingsregeling treft, waarom werknemers daar gebruik van willen maken, én wat de uitkomst van de regeling is. Voor de RVU-kwalificatie zijn uitsluitend de objectieve kenmerken en voorwaarden van de regeling beslissend, en niet – zoals Financiën bepleitte – hoe de beëindigingsvergoedingen zijn vastgesteld en hoeveel werknemers de regeling hebben benut.

Commentaar

Dit arrest van de Hoge Raad is een welkome verduidelijking voor de praktijk. De kwalificatie van een ontslag- of uittredingsregeling als RVU – met een strafheffing van 52% – is uitsluitend afhankelijk van de objectieve kenmerken en voorwaarden van die regeling, en niet van het achteraf blijkende gebruik van die regeling.