Nieuwsbrief Zwolse Adviesgroep September 2018

Nieuwsbrief Zwolse Adviesgroep September 2018
24 september 2018 Marleen Haring

Hierbij de belangrijkste fiscale maatregelen uit het belastingplan 2019.

Tarieven en heffingskortingen

Tarief loon- en inkomstenbelasting (box 1)

Het tarief in de loon- en inkomstenbelasting (box 1) voor 2019 luidt als volgt:

Tarief 2019 (2018)

 Belastbaar inkomen                                         tarief tot AOW leeftijd          tarief boven AOW-leeftijd

1ste schijf       nihil tot € 20.384                        36,65% (36,55%)                         18,75% (18,65%)
2de schijf        vanaf € 20.384 tot € 34.300      38,10% (40,85%)                         20,20% (22,95%)
3de schijf        vanaf € 34.300 tot € 68.507      38,10% (40,85%)                         38,10% (40,85%)
4de schijf        meer dan € 68.507                      51,75% (51,95%)                         51,75% (51,95%)

De premieheffing volksverzekeringen bedraagt 27,65%. Deze heffing is begrepen in het tarief (tot AOW-leeftijd) in de eerste twee inkomensschijven.

Het tarief wordt in de komende twee jaar zodanig aangepast dat een tweeschijventarief ontstaat, de sociale vlaktaks. Dat resulteert in 2021 in een tarief van 37,05% in de eerste schijf voor een inkomen tot en met € 68.507, en een toptarief van 49,5% in de tweede schijf voor een inkomen boven € 68.507. De grens van € 68.507 wordt tot 2025 niet aan de inflatie aangepast.

Heffingskortingen
De algemene heffingskorting wordt verhoogd tot € 2.477 (2018: € 2.265). De korting neemt geleidelijk af naarmate het inkomen hoger is – met een afbouw in de 2de en 3de tariefschijf van 5,147% (2018: 4,683%) – tot nihil bij een inkomen vanaf € 68.507.
Voor personen boven de AOW-leeftijd wordt de maximale algemene heffingskorting € 1.268 (2018: € 1.157), de afbouw in de 2de en 3de tariefschijf wordt 2,635% (2018: 2,392%).
De arbeidskorting wordt verhoogd tot € 3.399 (2018:€ 3.249). De arbeidskorting is inkomensafhankelijk en neemt af naarmate de arbeids-inkomsten hoger zijn. De afbouw vindt plaats vanaf een inkomen van € 34.060, met 6%. Voor AOW-ers is de arbeidskorting € 1.745, met een afbouw van 3,080% vanaf het afbouwpunt € 34.060.
De inkomensafhankelijke combinatiekorting (voor alleenstaanden en minstverdienende partners die de zorg hebben voor kinderen tot 12 jaar) gaat naar € 2.835 (2018: € 2.801). Per 1 januari 2019 begint de opbouw van deze heffingskorting bij een hoger inkomen en de vaste voet verdwijnt. Als gevolg daarvan wordt het maximumbedrag van deze korting eerder, bij een lager inkomen, bereikt. De arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting worden per 1 januari 2020 versoberd voor mensen met een WW-uitkering die tevens een uitkering krachtens de Ziektewet ontvangen: de uitkering uit de Ziektewet wordt niet meer als arbeidsinkomen aangemerkt.
De jonggehandicaptenkorting wordt € 737 (2018: € 728).
De ouderenkorting gaat omhoog, van € 1.418 in 2018 naar € 1.596 in 2019. Ook voor deze korting wordt een afbouw ingevoerd, met een afbouwpercentage van 15 procent. De alleenstaande ouderenkorting wordt € 429 (2018: € 423).

Maatregelen voor particulieren

Aftrekposten: lager tarief
De invoering van de nieuwe tariefstructuur in de loon- en inkomstenbelasting (in box 1) – de sociale vlaktaks – heft gevolgen voor de aftrekposten in box 1. De aftrek wordt vanaf 1 januari 2020 in vier stappen met 3% per jaar afgebouwd van het huidige tarief tot het nieuwe basistarief van 37,05%. Het aftrektarief bedraagt 51,75% in 2019, 46% in 2020, 43% in 2021, 40% in 2022 en 37,05% in Voor particulieren gaat het om de aftrek van de eigenwoningrente en de persoonsgebonden aftrek: onderhoudsverplichtingen zoals de partneralimentatie, specifieke zorgkosten, aftrekbare giften, scholingsuitgaven en uitgaven voor monumentenpanden.

Aftrek eigenwoningrente
Voor de aftrek van de negatieve inkomsten uit eigen woning – het eigenwoningforfait minus de eigenwoningrente – geldt al enkele jaren een tariefreductie. De aftrek in 2019 vindt plaats tegen 49%. Deze aftrek wordt vanaf 2020 versneld afgebouwd in vier stappen met 3% per jaar naar het nieuwe basistarief van 37,05% in 2023. De aftrek in 2020 vindt plaats tegen 46%.

Uitfasering Hillenaftrek
De aftrek wegens geen of een geringe eigenwoningschuld –de Hillenaftrek – waardoor de bijtelling van het eigenwoningforfait achterwege blijft als de eigenwoningrente minder bedraagt dan dat forfait, wordt gefaseerd, in 30 jaar, afgeschaft. In 2019 wordt de Hillen-aftrek voor 96 2/3 % in aanmerking genomen.

Scholingskosten
De aftrek voor scholingskosten wordt per 1 januari 2020 vervangen door een individuele leerrekening voor Nederlanders die een startkwalificatie hebben behaald.

Monumentenaftrek
De monumentenaftrek wordt per 1 januari 2019 vervangen door een subsidieregeling voor de instandhouding van rijksmonumenten met een woonfunctie. Er komt één nieuwe, voor iedereen gelijke regeling voor de kosten van onderhoud. Eigenaren van een rijksmonument met woonfunctie kunnen onder de nieuwe regeling maximaal 35% subsidie krijgen voor de gemaakte instandhoudingskosten.

Box 3-heffing
Het heffingsvrije vermogen in box 3 wordt verhoogd tot € 30.360 per persoon (2018: € 29.200).

Box 3: tarief en rendement
Het box 3 tarief blijft 30%. Het forfaitaire rendement voor 2019 bedraagt

– 1e klas van € 30.360 tot € 102.010 1,94% (2018: 2,02%)
– 2e klas van € 102.010 tot € 1.020.096 4,45% (2018: 4,33%)
– 3e klas meer dan € 1.020.096 5,60% (2018: 5,38%)

Maatregelen voor ondernemers

Inkomstenbelasting – winst

Ondernemersaftrek

De invoering van de sociale vlaktaks, de nieuwe tariefstructuur in de loon- en inkomstenbelasting, heeft ook gevolgen voor de ondernemersaftrek. Het aftrektarief wordt vanaf 2020 in vier jaar tijd afgebouwd met 3% per jaar tot op het nieuwe basistarief van 37,05%. Het tarief voor de ondernemersaftrek bedraagt (maximaal) 51,75% in 2019, 46% in 2020, 43% in 2021, 40% in 2022 en 37,05% in 2023. De ondernemersaftrek bestaat uit de zelfstandigenaftrek, de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk, de meewerkaftrek, de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid en de stakingsaftrek.

MKB-winstvrijstelling
De MKB-winstvrijstelling valt ook onder de tariefreductie. Het aftrektarief in 2019 is (maximaal) 51,75%, vanaf 2020 volgt dit tarief het afbouwtraject van de eigenwoningrente met een aftrek tegen 46% in 2020, afnemend tot 37,05% in 2023. Het nieuwe aftrektarief is uitsluitend van toepassing als de winst uit onderneming minus de ondernemersaftrek positief is.

TBS-vrijstelling
De terbeschikkingsvrijstelling is in 2019 aftrekbaar tegen (maximaal) 51,75%. Vanaf 2020 verloopt de aftrek tegen een lager tarief, gelijk aan het aftrektarief van de eigenwoningrente, van 46% in 2020, afnemend tot 37,05% in 2023. Het aftrektarief is uitsluitend van toepassing als het gezamenlijke resultaat uit overage werkzaamheden – het TBS-resultaat – positief is.

ZZP-ers / vervanging DBA
Het kabinet Rutte III heeft in het Regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ een nieuwe opzet geschetst voor de juridische en fiscale positie van ZZP-ers. De Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) – de ‘opvolger’ van de VAR-verklaring – wordt vervangen, en ZZP-ers worden afhankelijk van hun positie in de markt fiscaal onderscheidend behandeld. Het kabinet wil met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt de schijnzelfstandigheid en concurrentie op arbeidsvoorwaarden tegengaan. Zelfstandigen en hun opdrachtgevers moeten met nieuwe wetgeving de zekerheid krijgen dat hun werkrelatie niet als een dienstbetrekking wordt aangemerkt. De maatregelen ter vervanging van de Wet DBA worden in 2019 nader uitgewerkt, de nieuwe regelgeving moet per 1 januari 2020 ingaan. De Wet DBA blijf tot 2020 van kracht, de handhaving daarvan is uitgesteld tot 1 januari 2020.

Investeringsregelingen
De energie-investeringsaftrek (EIA), de willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL) en de milieuinvesteringsaftrek (MIA) worden vijf jaar verlengd. Het aftrekpercentage van de EIA wordt per 1 januari 2019 verlaagd naar 45% (2018: 54,5%).

Inkomstenbelasting – DGA’s

Aanmerkelijkbelang-tarief (box 2)
Het aanmerkelijkbelang-tarief gaat gefaseerd omhoog van 25% naar 26,25% per 1 januari 2020 en naar 26,9% per 1 januari 2021. Deze stijging is wat minder dan in het Regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ is genoemd: daar was nog sprake van een tariefaanpassing van 25% naar 27,3% in 2020 en aansluitend naar 28,5% in 2021. Er komt geen overgangsregeling voor ‘oude’ winsten die de BV heeft behaald vóór 2020. Als de BV in een ver verleden 48% winstbelasting heeft betaald, leidt het nieuwe aanmerkelijkbelang-tarief van 26,9% tot een gezamenlijke belastingdruk op die winst van 61,98%!

Verliesverrekening box 2
De termijn voor de voorwaartse verrekening van een verlies uit aanmerkelijk belang wordt per 1 januari 2019 verkort van negen naar zes jaar, gelijk aan de termijn voor voorwaartse verliesverrekening in de vennootschapsbelasting.

Rekening-courant dga’s
Het kabinet wil de rekening-courantschulden van DGA’s bij hun BV gaan beperken. Voorgesteld wordt om een schuld in rekening-courant als dividenduitkering aan te merken indien en voor zover die meer bedraagt dan € 500.000. Daarbij zal voor eigenwoningschulden aan de BV een overgangsmaatregel worden getroffen. Het kabinet wil deze maatregel op 1 januari 2022 in werking laten treden. DGA’s hebben zo nog meer dan drie jaar de gelegenheid om hun excessieve schulden bij de BV terug te brengen tot onder de € 500.000 voordat zij over dat surplus aanmerkelijkbelang-belasting moeten betalen. De DGA kan in 2019 nog tegen het huidige aanmerkelijkbelang-tarief van 25% een dividenduitkering doen en daarmee de schuld in rekening-courant (deels) aflossen. Deze maatregel is aangekondigd in de aanbiedingsbrief van de Miljoenennota. Het kabinet komt in het voorjaar van 2019 met een wetsvoorstel waarin deze maatregel wordt uitgewerkt.

Vennootschapsbelasting

Verlaging VPB-tarief
Het tarief van de vennootschapsbelasting gaat omlaag, in drie jaarlijkse stappen:
– het tarief voor winsten in de BV tot en met € 200.000 wordt per 1 januari 2019 verminderd tot 19%, per 1 januari 2020 tot 17,5% en per 1 januari 2021 tot 16%.
– het tarief voor winsten in de BV boven de € 200.000 wordt per 1 januari 2019 verminderd tot 24,3%, per 1 januari 2020 tot 23,9% en per 1 januari 2021 tot 22,25%.
De daling van het tarief voor winsten boven de € 200.000 is wat minder dan voorzien in het Regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’. Deze aanpassing houdt verband met de voorgenomen afschaffing van de dividendbelasting.

De verlaging van het VPB-tarief heeft tot gevolg dat de tarieven bij een geruisloze terugkeer uit de BV aangepast worden.

Beperking afschrijving vastgoed
Een BV kan op een gebouw in eigen gebruik afschrijven tot op de helft van de WOZ-waarde, en op een beleggingspand tot op de WOZ-waarde. Dat verschil in bodemwaarde vervalt per 1 januari 2019: de BV kan dan op alle gebouwen nog slechts afschrijven tot op de WOZ-waarde. Deze aanpassing heeft tot gevolg dat veel BV’s niet meer kunnen afschrijven op hun bedrijfsgebouw: als de fiscale boekwaarde lager is dan de WOZ-waarde kan niet meer worden afgeschreven. Als de fiscale boekwaarde van het gebouw door afschrijvingen vóór 2019 al lager is dan de WOZ-waarde, hoeft geen opwaardering plaats te vinden. Deze afschrijvingsbeperking geldt uitsluitend in de vennootschapsbelasting; voor ondernemers in de inkomstenbelasting blijft het mogelijk om een gebouw in eigen gebruik af te schrijven tot 50% van de WOZ-waarde.

Beperking voorwaartse verliesverrekening
De voorwaartse verliesverrekening (carry forward) voor BV’s wordt beperkt van negen tot zes jaar. De termijn voor achterwaartse verlies-verrekening (carry back) verandert niet en blijft één jaar. De inkorting van de verliesverrekening geldt voor verliezen die in 2019 en volgende Jaren zijn geleden. Bij BV’s met een gebroken boekjaar geldt de beperking vanaf het boekjaar dat in 2019 begint. Verliezen die in 2018 zijn geleden blijven verrekenbaar tot en met 2027.

Verlies van houdster- en financieringsmaatschappijen
Voor de verliesverrekening van houdster- en financieringsmaatschappijen geldt thans een specifieke regeling: verliezen zijn uitsluitend verreken-baar met winsten uit houdster- of financieringsactiviteiten. Deze beperking komt te vervallen. Voor de aangepaste verliesverrekening gelden de reguliere termijnen.

Renteaftrekbeperking
Per 1 januari 2019 wordt een generieke renteaftrekbeperking ingevoerd in de vennootschapsbelasting: rentelasten = het saldo van rentelasten en rentebaten boven 30% van het bruto bedrijfsresultaat (EBITDA) is niet langer aftrekbaar.

Onder rentelasten worden mede begrepen de kosten van geldleningen en valutaresultaten. De rente die in enig jaar niet in aftrek kan worden gebracht door deze nieuwe regeling kan – in de tijd onbeperkt – worden doorgeschoven naar volgende jaren en dan alsnog verrekend worden. Vereist is dan wel dat door deze inhaal de door de earningsstrippingregeling gestelde grenzen niet worden overschreden. Voor de verrekening van gestalde rentelasten geldt een specifieke regeling voor een fiscale eenheid en bij fusies en splitsingen. De earningsstrippingregeling geldt voor nieuwe én bestaande, interne én externe schulden. De nieuwe renteaftrekbeperking kent een drempel voor MKB-bedrijven van € 1 miljoen: rentelasten tot dat bedrag mogen zonder meer in aftrek worden gebracht. Met de invoering van deze generieke renteaftrekbeperking komen enkele specifieke renteaftrekbeperkingen te vervallen. Dat zijn de aftrekbeperking voor bovenmatige deelnemings- en overnamerente. De anti-winstdrainage renteaftrekbeperking, voor leningen tussen gelieerde vennootschappen met ongebruikelijke voorwaarden, blijft gehandhaafd. Nederland moet deze generieke renteaftrekbeperking invoeren in het kader van de Europese richtlijn voor belastingontwijking, de Anti Tax voidance Directive (ATAD). De Europese richtlijn biedt de mogelijkheid van een groepsescape: een regeling waardoor de renteaftrekbeperking niet van toepassing is als een vennootschap naar verhouding minder zwaar met vreemd vermogen is gefinancierd dan de rest van de groep. Het cabinet heeft er voor gekozen om in ons land geen groepsescape in te voeren.

Exitheffing: korter uitstel van betaling
Als een BV vermogensbestanddelen naar het buitenland overbrengt of haar fiscale vestigingsplaats naar een ander land verplaatst, moet die BV afrekenen met de fiscus. Dat leidt tot een exitheffing. Een dergelijke exitheffing kan thans in tien gelijke jaartermijnen worden betaald. Die termijn wordt ingekort tot vijf jaarlijkse termijnen. Wordt de meerwaarde van de activa /passiva binnen die vijfjaarstermijn gerealiseerd , dan eindigt het uitstel van betaling per direct. De vijfjaarstermijn geldt uitsluitend voor belastingschulden waar de Belastingdienst uitstel van betaling heft verleend op of ná 1 januari 2019.

Fiscale beleggingsinstellingen
Fiscale beleggingsinstellingen (FBI’s) mogen vanaf 1 januari 2020 niet meer rechtstreeks beleggen in vastgoed. Deze wetswijziging vloeit voort uit de voorgenomen afschaffing van de dividendbelasting. Voor FBI’s geldt een tarief van 0% vennootschapsbelasting. Een FBI moet op de dividenduitkeringen aan die aandeelhouders dividendbelasting inhouden, ook als die aandeelhouders in het buitenland wonen. Als de dividendbelasting wordt afgeschaft valt die belasting voor buitenlandse beleggers weg en dan kan Nederland van hen geen belasting meer heffen over de resultaten van in Nederland gelegen vastgoed. Om dat te voorkomen wordt FBI’s bij wet verboden om direct te beleggen in Nederlands vastgoed. Direct beleggen in buitenlands vastgoed blijft wél mogelijk. Door de afschaffing van de dividendbelasting vervalt ook de afdrachtvermindering voor dividendbelasting in een FBI: beleggers in een FBI kunnen buitenlandse bronheffingen niet langer verrekenen met de inkomstenbelasting.

Werkgevers

Fiets van de zaak
Per 1 januari 2020 wordt het privévoordeel van een fiets van de zaak forfaitair gesteld op 7% van de nieuwwaarde van de fiets. De bijtelling geldt als de werkgever de fiets voor – een deel van het woon-werkverkeer – ter beschikking stelt.

Vrijwilligersvergoeding
De maximale belastingvrije vergoeding voor vrijwilligers wordt met € 200 verhoogd tot maximaal € 1.700 per kalenderjaar en € 170 per maand.

Verkorting 30%-regeling
Werknemers die vanuit het buitenland in Nederland komen werken kunnen in aanmerking komen voor de 30%-regeling. Die regeling biedt een belastingvrije vergoeding voor de extra kosten van het verblijf in Nederland – de extraterritoriale kosten – tot 30% van het loon. De werknemer die deze regeling wil benutten, moet beschikken over een specifieke deskundigheid die niet of nauwelijks te vinden is op de Nederlandse arbeidsmarkt. Voorts is vereist dat hij in de twee jaar vóór zijn eerste werkdag in Nederland meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens woont. De 30%-regeling kan thans acht jaar worden toegepast. Het kabinet gaat de looptijd van deze regeling per 1 januari 2019 beperken tot vijf jaar, ook voor werknemers die al gebruikmaken van de regeling. De inkorting naar vijf jaar wordt ook van toepassing op het vergoeden van de werkelijke extraterritoriale kosten en de keuze voor partiële buitenlandse belastingplicht. De inkorting van de looptijd van de 30%-regeling wordt ingevoerd zonder overgangsrecht. Voor expats die op 1 januari 2019 vijf jaar of langer al gebruikmaken van de 30%-regeling, eindigt die regeling per direct. Dat is een trendbreuk: bij de eerdere inkorting in 2012, van tien naar acht jaar, werden de rechten van bestaande gevallen wél gehonoreerd. Financiën vindt het juridisch houdbaar om geen overgangsrecht in te voeren omdat al sinds 2012 in de 30%-beschikkingen een voorbehoud is opgenomen voor toekomstige wijzigingen in wet- en regelgeving. Expats die door de inkorting van de 30%-regeling worden getroffen kunnen nog wel een belastingvrije vergoeding ontvangen voor het schoolgeld van hun kinderen voor het schooljaar 2018/2019, mits dat schoolgeld binnen de oorspronkelijke looptijd wordt vergoed of verstrekt.

Internationaal

Conserverende aanslag lijfrente en pensioen bij emigratie
De Hoge Raad heeft medio 2017 beslist dat bij emigratie van een inwoner van Nederland naar een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten waarin is vastgelegd dat alleen het woonland belasting kan heffen over pensioenen en lijfrenten, Nederland niet een conserverende aanslag kan opleggen over de waarde in het economische verkeer van de pensioen- en lijfrenterechten ten tijde van de emigratie, maar slechts over het bedrag van de lijfrentepremies die in aftrek zijn gebracht tussen 1 januari 1992 en 1 januari 2001 en ná 15 juli 2009, ofwel de pensioenpremies die na 15 juli 2009 buiten de heffing zijn gebleven. De uitkomst van dit arrest wordt per 1 januari 2019 in de wet vastgelegd.

Heffingskorting buitenlandse belastingplichtigen
Buitenlandse belastingplichtigen die over vrijwel hun gehele wereldinkomen in Nederland belasting betalen – de kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen – hebben recht op dezelfde regelingen als de inwoners van Nederland. Zij hebben dezelfde aftrekposten en heffingskortingen als binnenlandse belastingplichtigen. Niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen die inwoner zijn van een lidstaat van de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte, Zwitserland of de BES-eilanden, krijgen recht op het belastingdeel van de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Dat geldt ook voor buitenlandse belastingplichtigen die in Nederland een onderneming drijven met behulp van een vaste inrichting. Het belastingdeel van de arbeids- en inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt berekend op het wereldwijde inkomen uit arbeid.

Controlled foreign companies
Het kabinet wil maatregelen invoeren om misbruik met zogenaamde ‘controlled foreign companies’ tegen te gaan. Deze maatregelen vloeien voort uit de Europese richtlijn voor belastingontwijking, de Anti Tax Avoidance Directive (ATAD). De nieuwe regels treffen in Nederland gevestigde vennootschappen die een belang van ten minste 50% in een dochtervennootschap hebben, ofwel die een vestiging, een vaste inrichting hebben in een land waar de winst niet wordt belast, ofwel tegen een tarief van minder dan 7% wordt belast, ofwel dat is opgenomen op de lijst van Europese Unie van non-coöperatieve landen. Bepaalde inkomensbestanddelen van die ‘controlled foreign company’ zoals dividend, rente, financial lease en royalty’s kunnen onder de nieuwe regeling alsnog worden belast bij de in Nederland gevestigde houdstervennootschap of hoofdvestiging, tegen het Nederlandse tarief van de vennootschapsbelasting. Deze antimisbruikbepaling geldt niet in situaties waarin de CFC een wezenlijke economische activiteit uitoefent.

Afschaffing dividendbelasting / invoering bronheffing
Het kabinet stelt voor om de dividendbelasting per 1 januari 2020 af te schaffen. Volgens het kabinet versterkt dit de concurrentiepositie van Nederland ten opzichte van de ons omringende landen. Door de afschaffing van de dividendbelasting blijven hoofdkantoren van grote bedrijven in Nederland én dat heeft een positief effect op de Nederlandse economie. De afschaffing van dividendbelasting kan – zonder aanvullende maatregelen – er toe leiden dat Nederland gaat fungeren als toegangspoort naar laagbelaste jurisdicties. Om dat te voorkomen wordt eveneens per 1 januari 2020 een nieuwe bronheffing ingevoerd op dividenden die worden uitgekeerd aan een verbonden vennootschap in een land met een laag winstbelastingtarief (lager dan 7%), ofwel naar een land dat genoteerd staat op de lijst van de Europese Unie van non-coöperatieve landen, én in misbruiksituaties.

Per 1 januari 2021 wordt er een bronheffing ingevoerd op uitgaande rentebetalingen en royalty’s die worden betaald aan een verbonden vennootschap in een land met een winstbelastingtarief van minder dan 7%, naar landen die genoteerd staan op de lijst van Europese Unie van non-coöperatieve landen én in misbruiksituaties.

Omzetbelasting

Lage btw-tarief van 6% naar 9%
Het lage btw-tarief gaat per 1 januari 2019 van 6% naar 9%. Het lage BTW-tarief geldt voor de dagelijkse boodschappen, groente en fruit, medicijnen, de kapper, schoonmaak, schilderen, theaters, musea, hotels, attractieparken en het openbaar vervoer. Bij vooruitbetaling vóór 1 januari 2019 blijft het 6% tarief van toepassing. Voor boeken is een overgangsmaatregel getroffen.

Kleine ondernemersregeling
De kleine ondernemersregeling (KOR) in de omzetbelasting wordt per 1 januari 2020 gemoderniseerd. Ondernemers die in Nederland zijn gevestigd en die minder dan € 20.000 omzet hebben, kunnen kiezen voor een BTW-vrijstelling. De ondernemer mag dan geen BTW meer in rekening brengen bij zijn afnemers, én hij kan geen omzetbelasting als voorbelasting in aftrek brengen. Alle administratieve BTW-verplichtingen vervallen voor hem. De nieuwe regeling gaat – anders dan de huidige KOR – ook gelden voor BV’s en andere rechtspersonen.

E-commerce
Ondernemers die grensoverschrijdende digitale diensten verrichten voor consumenten binnen de Europese Unie zijn daarover omzetbelasting verschuldigd in de EU-lidstaat waar de consument is gevestigd, naar het tarief van die lidstaat. De ondernemer kan daarbij gebruik maken van het mini één loketsysteem (MOSS): hij kan de verschuldigde buitenlandse omzetbelasting afdragen aan de Nederlandse belastingdienst die dat verrekent met de belastingdienst in de andere EU-lidstaat. Dat MOSS is complex: ondernemers weten niet altijd in welke lidstaat de afnemer woont, en in welke lidstaat BTW moet worden afgedragen. Daarnaast moet ook nog een extra binnenlandse BTW-aangifte worden gedaan. Deze regeling wordt versoepeld, om kleine ondernemers tegemoet te komen. Bij de verkoop van grensoverschrijdende digitale diensten is vanaf 1 januari 2019 omzetbelasting verschuldigd in de lidstaat waar de ondernemer is gevestigd, tegen het daar geldende BTW-tarief. Deze nieuwe regeling kan alleen worden toegepast door ondernemers met een totale grensoverschrijdende omzet van minder dan €10.000 per jaar.

Sportvrijstelling
Diensten van sportorganisaties aan hun leden zijn in beginsel vrijgesteld van omzetbelasting. Per 1 januari 2019 wordt deze vrijstelling verruimd tot prestaties jegens derden, niet leden van de sportorganisatie. De exploitatie van sportaccommodaties door niet-winst beogende instellingen wordt ook vrijgesteld van omzetbelasting. Dat heeft tot gevolg dat de omzetbelasting op de kosten van bouw en onderhoud van die sportaccommodaties niet meer aftrekbaar is. Een herziening van de omzetbelasting is niet nodig: er treedt een afzonderlijke subsidieregeling in werking.

Autobelastingen

BPM teruggaafregeling beëindigd
Per 1 januari 2020 wordt de BPM-teruggaaf voor taxi’s en openbaar vervoer afgeschaft. Met deze maatregel wordt het gebruik van milieu-vriendelijke auto’s in het openbaar vervoer en als taxi gestimuleerd. De MRB-vrijstelling voor taxi’s en openbaar vervoer wordt niet afgeschaft.

Gebruik kentekengegevens: ANPR
Er komt een wettelijke regeling voor automatische nummerplaatherkenning (ANPR) met camera’s. De Belastingdienst mag kentekens automatisch lezen, waarbij de locatie, de datum en het tijdstip worden vastgelegd. De dienst mag deze gegevens gebruiken voor de heffing en controle van de motorrijtuigenbelasting. Gegevens die geen treffer opleveren, moeten worden vernietigd. De ANPR zal niet worden ingezet bij controle van het privégebruik van de auto van de zaak.

Belasting op vrachtauto’s
De belasting op vrachtauto’s – het Eurovignet – wordt aangepast naar aanleiding van Europese afspraken. De wijziging betreft een verdere differentiatie naar klasse EURO en een verhoging van de tarieven voor minder schone auto’s. De nieuwe tarieven treden stapsgewijs in werking per 1 juli 2019 en per 1 januari 2020.

Fijnstoftoeslag
De toeslag voor dieselauto’s met een fijnstofuitstoot van meer dan 5 milligram per kilometer wordt uitgesteld. Deze toeslag zou per 1 januari 2019 worden ingevoerd, maar dat wordt 1 januari 2020. De noodzakelijke ICT-aanpassing bij de Belastingdienst zijn naar verwachting niet voor 1 januari 2020 gereed.

Diversen

Belastingrente
De aangiftetermijn voor de inkomstenbelasting is per 2014 verschoven van 1 april naar 1 mei van het volgende kalenderjaar. Die termijnverlenging wordt doorgetrokken naar de regeling voor de belastingrente: er wordt voortaan geen belastingrente in rekening gebracht als de aangifte inkomstenbelasting vóór 1 mei is ingediend en de aanslag conform die aangifte wordt vastgesteld. Voor de erfbelasting is een vergelijkbare regeling getroffen: bij een tijdig verzoek om een (voorlopige of definitieve) aanslag of bij een tijdige aangifte wordt geen belastingrente in rekening gebracht als de aanslag conform het verzoek of aangifte wordt vastgesteld.

Erfgenaam en aansprakelijkheid
Erfgenamen kunnen aansprakelijk gesteld worden voor de naheffings- en navorderingsaanslagen én de aansprakelijkheidsschulden die opkomen ná het overlijden van de erflater. De wet beperkt die aansprakelijkheid tot maximaal het bedrag van het erfdeel van de erfgenaam. Als een particulier kort voor zijn overlijden vrijwel zijn gehele vermogen schenkt aan zijn aanstaande erfgenamen, waardoor zijn nalatenschap om en nabij nihil is, heeft het aansprakelijk houden van de erfgenamen geen zin. Om deze vorm van belastingontwijking aan te pakken wordt voorgesteld om de aansprakelijkheid van de erfgenamen uit te breiden met het bedrag van de schenkingen die de erfgenaam van de erflater heeft ontvangen kort (tot 180 dagen) voor diens overlijden. De uitbreiding van de aansprakelijkheid geldt niet voor vrijgestelde schenkingen, of gevallen waarin de schenkbelasting is kwijtgescholden. De verruimde aansprakelijkheid gaat per direct in, op 18 september 2018, per 15.15 uur.

Aansprakelijkheid begunstigden
Vermogende particulieren ontdoen zich soms van hun vermogen vlak voordat de Belastingdienst zich wil verhalen op dat vermogen. De particulier schenkt dan zijn vermogen aan familieleden, hij liquideert een BV, enz. Om de belastinginning veilig te stellen komt er een nieuwe  aansprakelijkheidsregeling voor begunstigden, degene die de schenking of liquidatie-uitkering van de BV ontvangt. De begunstigde is aansprakelijk als aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan:
– de handeling met begunstiging is onverplicht verricht, én
– de Belastingdienst is door die handeling benadeeld in zijn verhaalsmogelijkheden, én
– de belastingschuldige én de begunstigde weten of behoren te weten dat de Belastingdienst benadeeld wordt: de wetenschap van benadeling.

Er geldt een wettelijk vermoeden van wetenschap van benadeling, bij de belastingschuldige én de begunstigde indien de ontvanger aannemelijk maakt dat:
– er is sprake van en verhaalconstructie;
– de onverplichte handeling met begunstiging is verricht in of na het tijdvak waarin de belastingschuld materieel is ontstaan, en
– de betrokken personen zijn verbonden personen, met een kwalificerende gelieerdheid.
De begunstigde kan tegenbewijs leveren.
De aansprakelijkheid voor begunstigden gaat per direct in, op 18 september 2018, per 15.15 uur.

Uitbreiding informatieverplichtingen
De informatieverplichting wordt uitgebreid voor degenen die bij de Invorderingswet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de voldoening van de verschuldigde belasting. Denk aan de inlener van personeel, de bestuurder van een BV, de aanmerkelijkbelanghouder. De uitbreiding van de informatieplicht geldt uitsluitend voor zover de gevraagde informatie van belang kan zijn voor de vaststelling en de invordering van (toekomstige) schulden van de aansprakelijk gestelde persoon. De Belastingdienst moet deze bevoegdheid uitoefenen binnen de grenzen van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het niet-voldoen aan de verruimde informatieplicht kan worden bestraft met een hechtenis van maximaal zes maanden of een geldboete van de derde categorie (2018 maximaal € 8.300).

Energiebelasting
De energiebelasting voor aardgas gaat omhoog en voor elektriciteit iets omlaag. De eerste schijf van het reguliere tarief voor aardgas wordt € 0,03 per m3 hoger. De eerste tariefschijf voor elektriciteit wordt € 0,0072 per kWh lager. De belastingvermindering in de energiebelasting wordt met € 51 verlaagd naar € 257,54 per aansluiting.

Kansspelbelasting sportweddenschappen
Het aanbieden van sportweddenschappen die via het internet worden gespeeld, is (nog) illegaal in Nederland: de Wet op de kansspelen (WOK) voorziet niet in een vergunning voor de aanbieders van dergelijke spelen. Dat gaat binnenkort veranderen, als de wet inzake kansspelen op afstand (KOA) wordt aangenomen; dat wetsvoorstel is nog in behandeling bij de Eerste Kamer. Voor de niet-landgebonden sportweddenschappen wordt de aanbieder van het spel belastingplichtig voor de kansspelbelasting. Voor de landgebonden sportweddenschappen is thans de belastingplichtige de prijswinnaar. De Europese Commissie vindt dat verschil niet toelaatbaar: het is verboden staatssteun voor aanbieders van landgebonden sportweddenschappen. De kansspelbelasting wordt gewijzigd om sportweddenschappen voortaan fiscaal gelijk te behandelen, ongeacht waar die worden aangeboden. De exploitant van in Nederland georganiseerde sportweddenschappen wordt belastingplichtig in plaats van de prijswinnaar. Deze wijziging gaat in zes maanden na inwerkingtreding van het Wetsvoorstel kansspelen op afstand. De belastinggrondslag is het brutospelresultaat, het verschil tussen de van spelers ontvangen inzetten en de aan spelers beschikbaar gestelde prijzen. Het tarief van de kansspelbelasting is 29%.

 

Bron: BelastingBelangen